Nieuws

Wetsvoorstel AOW-verhoging naar de Tweede Kamer

Demissionair minister Kamp van Sociale Zaken heeft het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer aangeboden waarin de stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd naar 66 jaar in 2019 en naar 67 jaar in 2023 wordt geregeld.  In dit wetsvoorstel zijn tevens de fiscale aanpassingen aan het Witteveenkader opgenomen.

Wetsvoorstel

Het wetsontwerp Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd van minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en staatssecretaris Weekers van Financiën is op 5 juni 2012 ingediend bij de Tweede Kamer. Dit wetsontwerp komt in de plaats van het bestaande wetsvoorstel (“Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW”) dat bij de Eerste Kamer ter behandeling ligt. Minister Kamp heeft eerder verzocht om de behandeling van het wetsvoorstel op te schorten.

Verhoging AOW-leeftijd

Van 2013 tot en met 2019 zal de AOW-leeftijd stapsgewijs worden verhoogd naar 66 jaar. In 2013 bedraagt de verhoging één maand. De AOW-leeftijd bedraagt dan 65 jaar en één maand. Het wetsvoorstel bepaalt dat vanaf 2020 tot en met 2023 de AOW-leeftijd in stappen van 3 maanden per jaar zal worden verhoogd naar 67 jaar.

Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting. Jaarlijks wordt bezien of de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting aanleiding geeft om de AOW-leeftijd met drie maanden te verhogen. Een verhoging van de AOW-leeftijd wordt minimaal vijf jaar van tevoren aangekondigd. Dit betekent dat vanaf 2019 jaarlijks zal worden bezien of de ontwikkeling van de levensverwachting aanleiding geeft voor een verhoging van de AOW-leeftijd vijf jaar later. Dit betekent dat uiterlijk 1 januari 2019 duidelijk zal zijn of de AOW-leeftijd moet worden verhoogd met ingang van 1 januari 2024. Het aanpassen van de AOW-leeftijd aan de gemiddelde resterende levensverwachting gebeurt aan de hand van een formule die wordt vastgelegd in de wet. De benodigde ramingen voor de levensverwachting zullen door het CBS worden gemaakt.

Overgangsregeling

De verhoging van de AOW-leeftijd wordt geleidelijk ingevoerd om mensen die dicht tegen hun pensioen aan zitten tegemoet te komen. Daarnaast komen er overgangsmaatregelen voor mensen die weinig mogelijkheden hebben om het verlies aan inkomen te compenseren. Zo kunnen AOW’ers een voorschot krijgen om een eventueel inkomensgat te overbruggen. Deze voorschotregeling geldt tot en met 2015.

Verder kunnen mensen een beroep doen op de (bijzondere) bijstand als ze onder het sociaal minimum dreigen te komen. Ook zal de AOW-partnertoeslag, die in 2015 verdwijnt, enkele maanden langer doorlopen. Voor mensen die geboren zijn in november en december 1949 wordt het vervallen van de partnertoeslag met drie maanden uitgesteld.

Opbouwsystematiek AOW

De AOW kent een opbouwsystematiek waarbij men momenteel in de leeftijd tussen 15 en 65 jaar 2% AOW-pensioen per jaar opbouwt. Dit geldt voor ingezetenen en personen die in Nederland werken. De regering kiest ervoor de opbouwperiode te handhaven op 50 jaar. Als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd verschuift de opbouwperiode met een overeenkomstige periode. Bij een AOW-leeftijd van 65 jaar en één maand in 2013 is de opbouwperiode tussen 15 jaar en één maand en 65 jaar en één maand. In 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de stijging van de levensverwachting. De opbouwperiode verschuift dan overeenkomstig de verhoging van de AOW-leeftijd op grond van de stijging van de levensverwachting.

Witteveenkader aangepast

De fiscale regels voor het aanvullend pensioen (Witteveenkader) worden als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd ook gewijzigd. De pensioenleeftijd gaat naar 67 jaar in 2014. Vervolgens wordt deze pensioenrichtleeftijd op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Dat wil zeggen dat jaarlijks wordt bezien of de ontwikkeling van de levensverwachting aanleiding geeft om de pensioenrichtleeftijd te verhogen. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd vindt, anders dan bij de AOW-leeftijd, steeds plaats in stappen van een jaar.

De maximale opbouwpercentages gaan in 2014 van jaarlijks 2 naar 1,9 procent (eindloonregelingen) en van 2,25 naar 2,15 procent (middelloonregelingen).  De beschikbare premiestaffels moeten ook aangepast worden. De regering heeft aangekondigd deze nieuwe staffels spoedig bekend te maken, al voordat het wetsontwerp door het kabinet is aangenomen. Opgebouwde pensioenrechten blijven intact. Vanaf 2014 gaat het nieuwe regime in.

Aanpassingen van lijfrente en oudedagsreserve

De opbouwruimte voor lijfrenten wordt ook aangepast. De premiegrondslag voor lijfrentepremieaftrek wordt in 2014 niet langer vermenigvuldigd met 17% maar met 15,5%. Vervolgens wordt dit premiepercentage steeds met 0,6%-punt verlaagd voor ieder jaar dat de pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd. In verband met de gewijzigde opbouwruimte wordt ook de zogenoemde imputatieregeling aangepast.

Het maximum dotatiepercentage voor de fiscale oudedagsreserve wordt ook verlaagd, in 2014 van 12% naar 10,9%. Vervolgens wordt dit percentage steeds met 0,4%-punt verlaagd voor ieder jaar dat de fiscale pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd.

Advies Raad van State

De Raad van State is tevreden met het feit dat het kabinet onder invloed van het Lenteakkoord de pensioenleeftijd sneller verhoogt. Wel maakt de raad zich zorgen over overgangsbepalingen voor werknemers die in 2013 en 2014 met pensioen zouden gaan. Zij moeten nu een en twee maanden langer doorwerken, maar hebben weinig tijd zich daarop voor te bereiden. Het gaat onder meer om ontslagafspraken in cao’s die nu nog gebaseerd zijn op ontslag op de dag dat iemand 65 wordt. Als de sociale partners dat niet op tijd regelen, moet dat met wetgeving worden verzekerd, stelt de Raad. De regering vindt dit een zeer vergaande maatregel en denkt dat dit niet nodig is omdat partijen voldoende tijd hebben om individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten nog voor 1 januari 2013 aan te passen.

De grootste problemen zitten bij mensen die met prepensioen of vut zijn gegaan en waarbij de pensioenverzekeraar die extra maand niet wil of kan uitkeren. Voor hen komt er een regeling waarin de AOW deels eerder wordt uitgekeerd en verrekend met de uitkering daarna. Volgens Kamp is die voorschotregeling voldoende om overbruggingsproblemen op te lossen.

Commentaar

Veel van de maatregelen uit het wetsvoorstel waren al eerder bekend gemaakt en komen niet als een verrassing. De Raad van State maakt zich zorgen over de snelheid van invoering van het wetsvoorstel. Volgens de Raad moeten op zeer korte termijn private arrangementen, zoals aanvullende pensioenregelingen aangepast worden. Het kabinet ziet dat anders: “Het is aan sociale partners om aanvullende pensioenregelingen en andere arbeidsvoorwaardelijke regelingen aan te passen aan de nieuwe ingangsdata van de AOW. Hetzelfde geldt voor bestaande pensioenregelingen in de derde pijler. Het is aan de betrokken contractpartijen om hun overeenkomsten, indien dat nodig en gewenst wordt geacht, aan te passen aan de nieuwe situatie. Dit wetsvoorstel verplicht daar niet toe. Wel past dit wetsvoorstel het fiscale kader voor tweede en derde pijlerpensioen aan doordat de pensioenrichtleeftijd in het Witteveenkader vanaf 2014 wordt verhoogd naar 67 jaar. Voor deze aanpassing hebben sociale partners en pensioenuitvoerders de tijd tot 2014.”

Het is natuurlijk waar dat het wetsvoorstel niet verplicht om bestaande overeenkomsten aan te passen. Maar als werkgevers en werknemers de fiscale faciliteit willen behouden, is een aanpassing van de regeling wenselijk. 

Bron: www.aegon.nl

 

Zie ook het nieuwsarchief: